SYMBIOSE – AUTONOMIE – CONFLICTEN

‘Het lijkt erop dat symbiose en autonomie voor ons mensen even belangrijk zijn. We hebben behoefte aan symbiose en aan autonomie. Beide begeleiden ons gedurende ons hele leven. Er bestaan fasen waarin de symbiotische behoeften duidelijk overheersen en er zijn levensfasen waarin we vooral vrij en onafhankelijk willen zijn. En er zijn steeds weer periodes waarin er een hevige innerlijke strijd gevoerd wordt tussen deze twee basisbehoeften. We zouden zelfs kunnen zeggen dat in symbiose-autonomieconflicten het materiaal is te vinden waaruit de menselijke levensdrama’s worden gesponnen, bijvoorbeeld wanneer:

  • kinderen niet in staat zijn hun ouderlijk huis te verlaten
  • ouders hun kinderen niet kunnen loslaten
  • paren niet kunnen scheiden, ook al haten zij elkaar meer dan dat zij elkaar liefhebben
  • mensen geloven dat zij uit plichtsbesef ‘voor het vaderland’ of ‘voor het bedrijf’ al hun eigen behoeften terzijde moeten stellen.

Symbiotische behoeften en het verlangen naar autonomie zijn enerzijds gescheiden streefrichtingen, anderzijds kan men zich afvragen hoe zij met elkaar samenhangen. Is er sprake van een ‘of-of’? Of bestaat er een ‘en–en’? Kunnen beide basisbehoeften in gelijke mate worden vervuld en met elkaar in overeenstemming worden gebracht, of kan het ene alleen bereikt worden ten koste van het andere?

De vraag of wij mensen op eigen benen kunnen staan en wanneer het tijd is om zelfstandig te worden, is onder andere een leeftijdskwestie. Baby’s en kleine kinderen hebben ouders nodig, die hun symbiotische behoeften zonder voorbehoud bevredigen. Zo hebben zij ook ouders nodig die hen ondersteunen bij het zelf voelen, denken en handelen.

Wat betekent het wanneer onze kinderlijke symbiotische behoeften niet onvoorwaardelijk worden vervuld? Welke gevolgen heeft het als onze ouders zich van ons afkeren, ons verlaten, ons niet liefhebben en ons als kind eigenlijk helemaal niet willen hebben, wanneer we nog klein en afhankelijk zijn? Blijft dan alleen het lot van levenslange frustratie en innerlijke eenzaamheid over? Of moeten we ons leven lang onze ouders achterna lopen en ook nog hun leed meedragen in de hoop dat we misschien toch nog op een dag geliefd en erkend worden? Moeten we, omdat we van hen afhankelijk zijn, afzien van ons eigen geluk? Is het verraad aan hen en moeten wij ons schuldig voelen als we weggaan, niet langer bij hen willen blijven, niet meer met onze liefde tot hun beschikking willen staan en hen willen troosten?

Hoe ziet dit eruit vanuit het perspectief van de ouders? Hoe is het  voor ouders wanneer zij zien dat een kind beslist niet volwassen wil worden? Wanneer het weigert verantwoording te eigen leven, op de zak teert van zijn ouders, hen veracht, uitscheldt en uitbuit, drugs gebruikt en gewelddadig is? Moet je dat als ouders allemaal maar toestaan of mag je een dergelijk kind eenvoudigweg de deur wijzen. Moeten ouders vanuit moeder- of vaderliefde het hem dat allemaal maar niet kwalijk nemen?

Mogen we als volwassenen ook nog symbiotische behoeften hebben? Is de liefde voor een partner net zo symbiotisch als de liefde voor een vader en moeder? Hoeveel liefde, ruggensteun, ondersteuning en veiligheid hebben we in ons volwassen leven nodig? Hoeveel verantwoordelijkheid moeten we voor een partner dragen als het slecht met hem gaat? Wat moeten we van hem overnemen en wat in geen geval? Moeten we het een leven lang dulden dat een huwelijks- of levenspartner aan ons hangt die niet verantwoordelijk wil worden voor zichzelf? Mogen we met onze eigen emotionele onzelfstandigheid kinderen of een partner verhinderen zich te veranderen en een eigen weg te gaan?

Wij mensen zijn van natura sociale wezens en kunnen zonder andere mensen niet overleven. Wij zijn op elkaar aangewezen. We zoeken wederzijds contact en hebben dat nodig. Velen vinden niets zo erg als alleen te zijn. Wie wenst zich niet vroeger of later een gesprekspartner, een menselijk tegenover, wanneer men alleen in een restaurant eet of op vakantie alleen aan een tafel zit?

Maar hoe gaat deze behoefte aan contact in zijn werk? In hoeverre moet men er voor een ander mens zijn? Waar begint het recht op zelfstandigheid en tegelijkertijd de plicht zich niet aan een ander op te dringen? Waar heeft het ‘wij’ zijn grenzen? Waar begint het onverwisselbare ‘ik’? Wanneer is de symbiotische behoefte constructief en wanneer wordt het (zelf)vernietigend om zich aan anderen vast te klampen en het eigen leven te laten bepalen door anderen?

Te behouden wat ons goed doet en los te laten wat niet langer bijdraagt aan onze ontwikkeling, schijnt de grote kunst van het leven te zijn. Een kunst waarin wij ons als mensen van jongs af aan moeten oefenen. Symbiose-autonomieconflicten behoren bij de loop van het leven. Zij zijn onvermijdelijk. Maar waarom lukt het loslaten dan in sommige gevallen schijnbaar bijzonder gemakkelijk en waarom is het in andere gevallen zo eindeloos zwaar en vrijwel onmogelijk?’

UIT: Franz Ruppert, Symbiose en autonomie. Een weg uit symbiosetrauma en destructieve afhankelijkheid. Eeserveen 2010 (blz. 19, 20, 21).