CONSTRUCTTIVITEIT EN DESTRUCTIVITEIT IN DE OUDER-KINDRELATIE

‘De Amerikaanse psycholoog Lloyd deMause heeft zich grondig beziggehouden met de kwaliteit van de ouder-kind verhoudingen gedurende de eeuwen waarin de mens zich ontwikkelde. Hij komt tot het inzicht dat tot in de moderne tijd kinderen in hoge mate door hun ouders blootgesteld werden aan extreme gevaren en belastingen: “De geschiedenis van kinderen is een nachtmerrie waaruit we nog maar net ontwaken. Hoe verder we in de geschiedenis teruggaan, des te meer ontoereikend was de verzorging van kinderen, de aandacht voor hen, en des te groter was de waarschijnlijkheid dat kinderen gedood, verstoten, geslagen, gekweld en seksueel misbruikt werden.” (deMause 1980, pag. 12)

DeMause heeft een classificatiemodel voorgesteld om zes verschillende vormen van ouder-kindrelaties in een historisch overzicht in te delen:

1. Kindermoord en seksueel misbruik (Klassieke Oudheid tot 4de eeuw na Chr.) – Ouders bevrijdden zich van hun zorgplicht door kinderen te vermoorden. Buiten dat was het seksueel gebruiken van kinderen wijdverbreid.

2. Weggeven van kinderen (4de tot 13de eeuw) – Ook kinderen werden nu verondersteld een ziel te hebben. Daarom liep het aantal gevallen van kinderdoding terug. Kinderen worden veelvuldig weggegeven, bijvoorbeeld aan vroedvrouwen, aan kloostergemeenschappen, als dienstknecht, dienstmeisje of page bij welgestelde families. Of men liet kinderen thuis aan hun lot van volledig emotionele vereenzaming over. Kinderen werden als slecht gezien en moesten daarom worden geslagen.

3. Ambivalentie (14de tot 17de eeuw) – Ouders ervaren in toenemende mate emotionele gevoelens en zorg voor hun kinderen, ook al worden zij nog steeds gezien als een geschikte plek om hun projecties op los te laten. In deze tijd komt het inzicht tot ontwikkeling dat een kind lichamelijk, emotioneel, geestelijk en moreel moet worden gevormd. Deze ‘vorming’ c.q. opvoeding van kinderen wordt steeds meer als de taak van ouders, scholen en opvoeders gezien.

4. Intrusie (binnendringen) (18de eeuw) – Men probeert binnen te dringen in de ziel van het kind om zijn geest, zijn gevoelens en zijn behoeften te begrijpen, om het (zijn drift, zijn seksualiteit, zijn wil) door bedreiging, straf en het opwekken van schuldgevoelens steeds meer onder controle te brengen (bijvoorbeeld met betrekking tot masturbatie). Het kind wordt minder als bedreiging gezien, zodat ook empathie mogelijk begint te worden. De kindergeneeskunde ontstaat, die samen met de verbetering van ouderlijke zorg de kindersterfte terugdringt.

5. Socialisatie (19de tot midden 20ste eeuw) – Hoe minder de ouders hun angsten, behoeften en voorstellingen op het kind projecteren, des te meer groeide het idee en de praktijk om kinderen op te voeden, hen op het goede pad te helpen, hen aan te passen en hen te socialiseren. Vaders beginnen meer dan alleen toevallige interesse in hun kind te tonen, hen op te voeden en soms zelfs de moeder bij zorgtaken te ondersteunen. In deze fase ontstaan ook psychologie en sociologie als wetenschappen die zich met vragen betreffende opvoeding en socialisatie van kinderen bezighouden.

6. Ondersteuning (vanaf midden 20ste eeuw) – Deze vorm berust op de opvatting dat het kind zelf het beste weet wat het nodig heeft. Beide ouders zijn er om het kind in zijn natuurlijke ontwikkeling te ondersteunen in plaats van het discipline bij te brengen. Deze omgangsvorm vraagt van ouders zeer veel energie, tijd en bereidheid tot discussie, omdat zij zich steeds weer in het kind moeten verplaatsen om zijn behoeften te kunnen herkennen en te bevredigen. Ouders helpen kleine kinderen bij het bereiken van hun dagelijkse doelen.’

UIT: Franz Ruppert, Symbiose en autonomie. Een weg uit symbiosetrauma en destructieve afhankelijkheid. Eeserveen 2010 (blz. 76, 77, 78).